26 oktober 2018

bestuur

Kees Jansma: ‘In de kantine is iedereen gelijk’

Kees Jansma, sportjournalist en voormalig perschef van Oranje, is voorzitter van de Raad van Toezicht van het Jeugdfonds Sport & Cultuur.

De tranen van mijn vader

Kees Jansma: “Mijn vader nam me op 1 februari 1956 mee naar de wedstrijd West-Duitsland – Nederland in Düsseldorf. Ik was acht jaar oud en kan me alles nog óngelooflijk goed herinneren. De treinreis, de kou, de doelpunten, de tranen van mijn vader… We vertrokken uit Amsterdam, en overal lag sneeuw. Het was echt een wereldreis, mijn moeder stond ons huilend op het perron uit te zwaaien. Zo ver weg gaan, dat was nogal wat.

“Mijn vader moest ook huilen, maar pas na de overwinning van Oranje. Ook dat beeld staat op mijn netvlies gebrand. Toen dacht ik dat het vanwege de zege was, daarna begreep ik dat heel Nederland had gehuild omdat het zoveel meer betekende met de Tweede Wereldoorlog nog vers in het geheugen.

“Het bezoeken van sportwedstrijden was heel normaal bij ons thuis, we gingen overal naar toe. Mijn vader was als kind een fanatiek voetballer, maar toen hij veertien was overleed mijn opa en moest hij werken om het gezin te onderhouden. De passie voor sport raakte hij echter nooit kwijt. Mijn moeder was wat artistieker aangelegd, en dus ging het bij ons thuis over twee dingen: theater en sport.”

Naar de Jansma’s

“Voetbal heb ik het meest fanatiek gedaan. Van jongs af aan, in Amsterdam-Noord. Daarna zijn we verhuisd naar Voorburg in Den Haag. Mijn zusje handbalde, mijn broer voetbalde. Dat deden we allemaal bij Tonegido. Daarnaast hadden we pianoles. We waren, op z’n zachtst gezegd, nogal competitief ingesteld en hadden dus altijd ‘ruzie’. Maar de weekenden waren hartstikke gezellig, als het kon gingen overal samen naar toe. Nooit heb ik het idee gehad dat ik profvoetballer zou kunnen worden. Ik had er simpelweg het talent niet voor.

“Het allerleukst was dat mijn vader als voorzitter van onze voetbalvereniging op zondagavond zo’n zestig tot tachtig man thuis ontving. Om soep te eten, muziek te maken. Dat waren beroemde avonden in Voorburg. Na de wedstrijd ging je niet naar de kantine, maar naar de Jansma’s.

“Toen mijn vader tachtig werd, gaf hij ons een boek, door hem zelf geschreven: ‘Jan Jansma, 80 jaar, mijn leven’. Daarin schreef hij dat hij met mijn moeder ‘s avonds ging overleggen als wij kinderen weer eens de vraag gesteld hadden of we op voetbal mochten, of op handbal, of op muziekles. Hoe gaan we dit organiseren? Wij dachten dat dat allemaal maar kon. En het kon ook. Mijn vader ging gewoon meer werken, mijn moeder deed thuis naaiwerk. Dat hebben wij ons als kind nooit gerealiseerd.”

Obsessieve ambitie

“Ik had maar één ambitie en dat was sportverslaggever worden. Ik was gefascineerd door de momenten waarop het doodstil was in huis, omdat we naar de stemmen van mannen als Jan Cottaar of Dick van Rijn luisterden. Dan zaten we op de grond, in een brede kring rond de radio. Eerst moesten we van mijn ouders naar Wim Kan luisteren, ook al begrepen wij als kinderen zijn grappen niet helemaal. Maar daarna kwamen de wedstrijdverslagen uit het buitenland. Ik vond het fantastisch dat iemand zei: ‘En dan gaan we nu over naar Dick van Rijn in Boedapest.’ En ja, dat dan die stem daadwerkelijk uit dat verre Boedapest kwam… Dat wilde ik ook! Want die stem kreeg die anders zo drukke huiskamer van ons muisstil.

“Mijn ambitie om sportjournalist te worden, was obsessief. Dat klinkt misschien overdreven, maar het kwam er echt bij in de buurt. Ik wilde gewoon een bekende, goede, serieuze sportverslaggever worden. Daar moest alles voor wijken, ook in mijn privéleven. Het mocht niet mislukken, ik móest slagen. Door die passie voor sport had ik ook helemaal geen interesse in school. Mijn broer en zus deden het daar goed, ik niet. Dus ontstond er een gevoel van: maar ik kan ook wat hoor.

“Later ben ik het gaan zien als geldingsdrang, dat had ik toen niet helemaal door. En daar word je niet altijd even gelukkig van, van zo’n instelling. Als ik moest kiezen tussen een avond thuis of naar Ajax, dan ging ik naar Ajax. Want stel je voor dat ik iets zou missen. Het was natuurlijk niet alleen geldingsdrang en ambitie, het had wel degelijk ook te maken met de liefde voor de sport. Ik werk al vijftig jaar in de sportwereld, die ik op momenten heus heb vervloekt, maar dat kan je niet volhouden als je er niet van houdt.”

In de kantine hangen

“Sporten is belangrijk, dat moet iedereen kunnen doen. Zeker in deze tijd, waarin tegenstellingen meer op scherp lijken te staan dan vroeger. Sport heeft me doen beseffen dat de kantine, het clubhuis, de sportzaal, hoe je het ook wil noemen, een bindmiddel van jewelste is. Want iedereen is gelijk in de kantine. Het maakt niet uit waar je vandaan komt, je kletst met z’n allen over alles. Dat heb ik door mijn opvoeding zo geleerd en ervaren. En nog steeds ben ik lid van twee voetbalverenigingen, in Alphen aan de Rijn en in Doorn.

“Mijn moeder, die niet zo van sport hield, ontdekte hoe sport stond voor samen dingen doen, hoe het van belang was voor het gezinsleven. Daarom zei ze: kom op zondagavond maar naar ons huis toe, in plaats van in de kantine te blijven hangen.

“Eigenlijk doe ik met mijn eigen kinderen hetzelfde als dat mijn ouders met mij deden. Ik neem ze al jaren mee naar allerlei wedstrijden, over de hele wereld. Zo gaan we altijd met het hele gezin naar de Olympische Spelen. En dan kopen we kaarten voor allerlei wedstrijden. Tijdens de Spelen van Londen geleden zat ik in de vroege ochtend met mijn kinderen op de tribune voor de waterpolo kwartfinale Hongarije-Rusland. Ik keek naar ze en zag rode konen op hun wangen van de opwinding; ze waren zeven en negen! Dus ja, die hebben dezelfde bacil.”

Lees ook: Brian Hirman: ‘Op het lijf geschreven’

Meer over de Raad van Toezicht





Lees meer verhalen

Wist je dat?

gemeenten zijn aangesloten bij het Jeugdfonds Sport & Cultuur.

kinderen groeit op in armoede.

kinderen en jongeren in 2019 de kans kregen om te sporten.

kinderen en jongeren in 2019 de kans kregen om te dansen, muziek te maken, schilderen.