Ambassadeurs

Erben Wennemars: “Op het voetbalveld was het ikke, ikke, ikke”

Ambassadeur van het Jeugdfonds Sport & Cultuur Erben Wennemars

Foto: Bastiaan Heus

Buitenspelen totdat het donker wordt, dromen van de wedstrijd van zaterdag, in je sportkloffie aan het ontbijt zitten. We hebben het allemaal gedaan. Ook Erben Wennemars, meervoudig wereldkampioen schaatsen en ambassadeur van het Jeugdfonds Sport & Cultuur.

Dromen

Erben Wennemars: “Zelfs mijn ouders zijn verbaasd dat ik zover gekomen ben in het schaatsen. Als zesjarige ben ik ernstig ziek geweest, ik was wat klein van stuk, een beetje zwakjes, had last van astma. Tuurlijk was ik getalenteerd, maar ik was geen talent. Pas op mijn negentiende kwam ik in Jong Oranje, en in mijn laatste jaar als A-junior stond ik voor het eerst op het podium. Toch hebben mijn ouders me nooit mijn droom ontnomen. Ze hebben nooit gezegd: hou maar op, dat kan jij toch niet. Dat is zo belangrijk. Kinderen moeten kunnen dromen.”

Bergen energie

“Mijn vader was penningmeester bij de plaatselijke ijsclub, dus zodra er natuurijs lag, werd ik meegesleept naar het ijs. Of beter gezegd: mócht ik mee. Sport was belangrijk thuis, we deden niet anders. Mijn vader heeft drie keer de Elfstedentocht gereden, speelde in het eerste team van onze voetbalclub. Zelf deed ik ook meer dan schaatsen alleen. Ik heb vanaf mijn zesde gevoetbald, was lid van een toerclubvereniging, fietste veel; en als er een wedstrijd was van wat voor sport dan ook, deed ik mee. Thuis waren ze al lang blij dat ik aan sport deed, want ik had als kind bergen energie. Die moest ik ergens kwijt.

Ik ben zo verschrikkelijk fanatiek geweest in het veld, soms té. ‘Ikke, ikke, ikke, moet de bal. En als ik ‘m niet krijg, jij ook niet!

Ik wilde altijd winnen, was sneller dan de rest. Vaak genoeg moest ik me melden in de bestuurskamer. Toch had ik genoeg vriendjes op de club, want ja, ik kon redelijk voetballen.

“Als het aan mij gelegen had was ik blijven voetballen, maar ik moest er mee stoppen. Op een gegeven moment ging ik steeds serieuzer schaatsen en was ik dus ook steeds vaker op reis. Ik kon niet meer elke training volgen, of elke wedstrijd spelen. Als je deel uit maakt van een team, mag je dat natuurlijk niet in de steek laten.”

Koeien melken

“Mijn ouders hadden een boerderij en moesten twee keer per dag de koeien melken; ze konden nooit weg van huis. Dat heb ik nooit als een gemis gezien, het was nu eenmaal zo. Nu worden de koeien door robots gemolken en kan mijn vader langs de ijsbaan staan als zijn kleinkinderen moeten schaatsen. Tijden veranderen.

“Bovendien werd ik toen zó goed opgevangen door anderen. Om naar de ijsbaan in Deventer te komen, moest ik veertig kilometer reizen vanuit Dalfsen. Maar ik heb me nooit zorgen hoeven maken hoe ik dat moest organiseren. Nederland kent een fantastische verenigingscultuur, op de een of andere manier was altijd alles geregeld; ik kon gewoon meerijden met andere ouders. Ik dacht er zelf nooit bij na, vond dat heel normaal. Wat het natuurlijk eigenlijk helemaal niet was.”

In de clinch

“Ik heb een groot netwerk, een vriendengroep overgehouden aan de sport. Komt omdat je niet alleen met elkaar schaatst of fietst, maar je ondertussen ook met elkaar praat in een ongedwongen, relaxte omgeving. Waar iedereen gelijk is, jong en oud. Je spiegelt je aan elkaar. Toen ik dertien, veertien jaar was ging ik met de toerclub tochten maken van honderd kilometer, nou, dan heb je wel even om bij te praten. Dat was heel belangrijk voor mij, omdat ik dat thuis niet kon. Daar waren ze natuurlijk heel trots op wat ik allemaal deed en presteerde, en ze volgden alles op de voet, maar ze hadden het daarnaast vooral veel te druk met het werk op de boerderij. Mijn verhaal kon ik kwijt in de sport, in de auto bij mijn jeugdtrainer Jan Wesselink bijvoorbeeld. Uren hebben we naast elkaar gezeten en dan bespraken alles. Niet alleen het schaatsen, maar ook hoe het ging op school, of ik verliefd was, of ik ruzie had. Het mooie is, mijn zoontje wordt nu door Jan getraind.”

Verlegen stotteren

“Thuis werd nooit gesproken over geld. Ik kwam niks tekort, en elke sport die ik wilde beoefenen, kon ik beoefenen. Het enige dat mijn ouders van me vroegen was of ik mijn best wilde doen. Als je lid werd van een voetbalclub, dan moest je je ook committeren aan die club.

“Als ik zie wat de sport mij als kind allemaal geleerd heeft, en ik bedenk dan dat één op de negen kinderen in Nederland niet kan sporten vanwege geldgebrek? Wow, hoe kan je die ervaring, die vorming nou missen als kind? Natuurlijk, ik heb een goede opvoeding gekend, maar die is echt gesterkt door de sport.

“De sport heeft me gevormd. Op de voetbalclub heb ik geleerd hoe ik met anderen moest omgaan, dat ik fouten mocht maken, hoe ik met trainers om moest gaan, met scheidsrechters. Met die laatste twee lag ik best vaak in de clinch, en daarna moest je toch weer door één deur met elkaar.

“Streven naar het beste, omgaan met tegenslag, dat zijn allemaal eigenschappen die je ook in het gewone leven nodig hebt. Zonder sport was ik veel minder ver in de maatschappij gekomen. Was ik meer bekrompen geweest, was mijn blik niet zo ruim, had ik niet zoveel interesse in anderen gehad. Ik stotterde, was verlegen. Maar in de sport kon ik me makkelijk uiten, dan was ik een ander kind. Daardoor kreeg ik zelfvertrouwen en kon ik me makkelijk over al die dingen heen zetten. Dat zou ik iedereen gunnen.”




Wist je dat?

gemeenten zijn aangesloten bij het Jeugdfonds Sport & Cultuur

kinderen groeit op in armoede

kinderen kregen in 2017 de kans om te sporten

kinderen kregen 2017 de kans om te dansen, muziek te maken, schilderen...