22 oktober 2026
Duizenden kinderen een stadspas, maar hoeveel blijven er aan de zijlijn staan?

Een stadspas moet ervoor zorgen dat meer kinderen kunnen meedoen. Maar is het uitgeven van zo’n pas wel genoeg? Ivar Spierings, manager bij het Jeugdfonds Sport & Cultuur, vraagt zich af of gemeenten niet te veel focussen op regelingen en te weinig op de gezinnen die de hulp echt nodig hebben.
Regelmatig spreek ik met gemeenten over de vraag hoe we gezinnen met weinig geld beter kunnen laten meedoen. Steeds vaker komt daarbij dezelfde oplossing op tafel: de invoering van een stadspas. En ik begrijp waarom. Als instrument heeft de stadspas een mooi en belangrijk doel: voorzieningen toegankelijker maken, inwoners meer eigen regie geven en het niet-gebruik van regelingen terugdringen.
Maar tegelijkertijd merk ik dat het in deze gesprekken steeds vaker gaat over implementatie, efficiëntie, planning en aantallen. Over de stadspas als doel op zich. En dat roept bij mij een fundamentele vraag op: wanneer vinden we een stadspas eigenlijk een succes? Als we zoveel mogelijk passen uitgeven? Als we binnen het gemeentelijke budget blijven? Als we uitsluitend kinderen helpen van wie de ouders aan de strikte inkomenseisen voldoen?
We dreigen succes te verwarren met bereik. Een gemeente kan trots melden dat duizenden kinderen een stadspas hebben ontvangen, maar mij zegt dat aantal nog helemaal niks. Een regeling kan op papier een succes zijn, terwijl de kinderen voor wie we het doen aan de zijlijn blijven staan. Want een voorziening beschikbaar maken, is iets anders dan ervoor zorgen dat iemand er daadwerkelijk gebruik van kan maken.
Een kind kan een stadspas hebben en toch niet op voetbal zitten. Omdat ouders niet weten hoe ze het moeten regelen of omdat de stap naar een vereniging simpelweg te groot is. En dan zijn er ook nog de kinderen die helemaal niet in aanmerking komen voor een pas, terwijl er thuis nauwelijks geld overblijft. Bijvoorbeeld omdat hun ouders net boven de inkomensgrens verdienen of te maken hebben met schulden.
Begrijp me niet verkeerd, voor sommige gezinnen werkt zo’n pas uitstekend. Zij weten de weg te vinden en kunnen zelfstandig gebruikmaken van de mogelijkheden die de pas biedt. Maar wij zien ook iets anders. Gezinnen die iemand nodig hebben, die hen helpt, uitlegt, meedenkt, vertrouwen opbouwt en letterlijk samen de eerste stap zet. Iemand die begrijpt waarom iets wat op papier eenvoudig lijkt, in de praktijk toch een enorme drempel kan zijn.
Precies daar zit de kracht van maatschappelijke organisaties, vrijwilligers, professionals en netwerken van intermediairs, zoals de Meerkrachten van het Jeugdfonds. Zij kennen de gezinnen, zien wat er speelt. Zij helpen mensen niet alleen aan een voorziening, maar ook daadwerkelijk op weg. Juist die combinatie maakt het verschil tussen een regeling waar iemand recht op heeft en een kind dat daadwerkelijk op het sportveld staat of muziekles volgt.
Want uiteindelijk gaat het niet om hoeveel passen we uitgeven, hoeveel regelingen we invoeren of hoe efficiënt we een systeem organiseren. Het gaat erom dat kinderen daadwerkelijk mee kunnen doen.
Lees meer verhalen





