Aan het begin van een nieuw jaar, waarin we er weer voor gaan om kinderen die aan de zijlijn staan mee te laten doen, moest ik terugdenken aan een reis naar de Verenigde Staten. Ik was daar met collega’s om na te gaan hoe het systeem van sociale zekerheid werkte in de staat Arizona. Er stond een werkbezoek op het programma aan een reservaat van de Navajo indianen (zoals ze zelf genoemd willen worden). In het reservaat werd de Amerikaanse samenleving in al zijn hardheid zichtbaar.

Veel misère in een desolaat landschap met schamele huizen en waardige mensen die zich niet wensten uit te spreken over hun situatie. We bezochten een school, vergelijkbaar met een basisschool bij ons. Veel kinderen die vrolijk in een soms moedeloos makende omgeving les kregen. Het symbool van de school was een zeester. Alle kinderen hadden een speldje met een zeester op hun borst. Een wat wonderlijk symbool vond ik. Immers, het reservaat bevindt zich in het hart van de Amerikaanse woestijn in Arizona, op tenminste 2000 kilometer van zee. Ik vroeg de leraar die ons gastvrij had rondgeleid naar het hoe en waarom van dit symbool. Dit is zijn verhaal.

Ooit woonden wij, Navajo, op vele plaatsen in het Westen van Amerika. De aarde was ons thuis. We jaagden en we verbouwden op ons land wat we nodig hadden om te leven. Ook aan zee woonden we delen van het jaar. Die tijd is voorbij, maar we willen dat onze kinderen de zee leren kennen. Elke grootvader gaat daarom op een dag met zijn kleinkinderen naar zee. Dat is onze traditie. Op een dag liep een van de grootvaders met zijn kleinzoon op het strand. Duizenden zeesterren waren, zo is hun levensloop, die nacht op het strand aangespoeld. De kleinzoon pakte voortdurend zeesterren op en bracht ze weer naar zee om ze te redden. Grootvader keek naar zijn kleinzoon en vroeg uiteindelijk: “Waarom doe je dat mijn kind, er liggen er duizenden, die kun je toch niet allemaal redden!” De jongen pakte opnieuw een zeester uit het zand, pakte de hand van zijn grootvader en liep met grootvader en de zeester naar de waterlijn. Bij de branding aangekomen gooide hij de zeester in zee en zei; “Ik kan er geen duizend redden, dus voor vele zeesterren is het te laat, maar voor deze ene niet. Elke geredde zeester is er een.”

Na even stil te zijn geweest zei de verteller tegen me: “En zo is het hier op deze school. We zullen ze niet allemaal een betere toekomst kunnen bieden. Sommigen van hen zullen terugzakken in het leven dat we hier leiden. Maar zo nu en dan is er die ene. Die ene leerling die stappen maakt. Die zichzelf en daarmee ons volk verheft. Dat is de reden waarom we het symbool van de zeester hebben omarmd.”

Ik heb het speldje met de zeester nog altijd in huis. Om me er zo nu en dan aan te herinneren aan wat de zin is van wat we doen, bijvoorbeeld als Jeugdfonds. Het lukt niet altijd. Het gaat soms mis. Maar zo nu en dan. Die ene!

Johan Kruithof
Voorzitter Jeugdfonds Sport & Cultuur Gelderland

Door corona zijn we allemaal maar ‘one handshake away’ van gezinnen die in armoede verkeren. Er moet bezuinigd worden. Het lidmaatschap van de sportclub, muziek- of dansles van de kinderen wordt vaak als eerste geschrapt. Zo worden kinderen in een cruciale fase in hun ontwikkeling uit een vertrouwde omgeving met vriendjes en vriendinnetjes gehaald en kunnen ze hun passie niet meer beoefenen. Wat is de definitie van armoede in deze tijd in Nederland?

Luister naar deze podcast Ask it Forward van The Curiosophy Collective met directeur Monique Maks:

Lees ook

“Kwetsbare kinderen verdienen het dat professionals en vrijwilligers zich met hart en ziel én kwaliteit voor hen inzetten.”

Interview met Monique Maks

De kamer van Aukje – intern begeleider op een basisschool in Harderwijk – bevindt zich midden tussen de klaslokalen. De deur van haar kamer staat altijd open: ‘Ik zie het als mijn rol om de drempel weg te nemen. Ouders en kinderen moeten altijd binnen kunnen lopen voor hulpvragen.’ Aukje staat klaar voor alle leerlingen en kent de school op haar duimpje. Ze vertelt trots wie waar zit, hoe laat de kinderen pauze hebben en over het vrije bibliotheeksysteem dat ze onlangs introduceerden. ‘Zo hebben alle kinderen toegang tot leuke boeken’, jubelt ze.   

Op meerdere plekken in de school hangen posters van het Jeugdfonds Sport & Cultuur – een van de organisaties aangesloten bij het collectief Samen voor alle kinderen (Sam&)Aukje is al jaren intermediair voor het fonds en ondersteunt hun missie: ‘School is dé plek om ouders direct te wijzen op het gehele hulppakketDat scheelt ze uren aan zoekwerk. En juist alle initiatieven samen kunnen dat extra steuntje in de rug geven waardoor kinderen weer mee kunnen doen. 

Inmiddels pikt Aukje de gezinnen die hulp kunnen gebruiken er zo uit: Hoe meer gezinnen je begeleidt, des te sneller je de signalen van kinderarmoede herkentJe ontwikkelt een extra set voelsprieten.’ Haar ervaring en de schoolsetting helpen hierbij: ‘Op school hebben we zicht op het totaalplaatje. We zien deze kinderen elke dag, weten of de ouders werken en of ze moeite hebben met het betalen van de ouderbijdrage. Hierdoor kunnen we snel inspringen wanneer dit nodig blijkt te zijn.’  

Aukje weet dat kinderarmoede vele gezichten kentOm kinderen zo snel mogelijk te kunnen helpen, is het cruciaal de signalen die hierop wijzen vroegtijdig te herkennenWanneer een kind structureel zijn of haar fruithap ‘vergeeter meer dan eens onverzorgd uitzietrondloopt in te kleine, versleten of te dunne kledingdan gaat dat opvallen. Als zo’n kind dan ook nog eens ziekgemeld wordt op zijn of haar verjaardag of zelfs thuis wordt gehouden tijdens een schoolreisje, dan vallen de puzzelstukjes al gauw in elkaar. Soms duurt het wel even voordat de ernst van de situatie aan het licht komterkent Aukje: Ouders die zich schamen, weten de situatie vaak nog een tijd te verbloemen door de wereld van hun kinderen te verkleinenAls ouders hun kinderen met een lach op het gezicht naar school brengenheb je niet gelijk door wat er zich thuis echt afspeelt.’  

De omvang van deze onzichtbare armoede werd zichtbaarder ten tijde van de coronacrisis: Ineens verdwenen er een aantal kinderen van onze radar. We zagen ze niet terug bij de digitale lessen. Het bleek dat een deel van hen thuis geen laptop had.’ Razendsnel regelt Aukje via haar contacten bij Stichting Leergeld – ook zo’n initiatief aangesloten bij Sam& – een aantal laptops voor de kinderen. Zo konden ook deze leerlingen mee blijven doen. Achteraf gezien, hadden nog meer kinderen behoefte aan deze hulp, benadrukt Aukje: ‘Bij terugkomst op school vertelden een aantal kinderen dat ze alle digitale lessen via mama’s mobiele telefoon hadden gevolgd. Dan breekt mijn hart, want deze kinderen hebben wekenlang niet optimaal mee kunnen doen.’  

Aukje was te gast in Koffietijd op RTL4 en vertelde daar ook over Sam&. Bekijk het fragment terug!

Wanneer Aukje vermoedt dat een leerling baat heeft bij hulp, dan knoopt ze een praatje met ze aan. Tijdens zulke gesprekken merkt ze dat kinderen in hun hoofd bezig zijn met de geldzorgen van hun ouders: ‘Kinderen zijn geneigd de stress van hun ouders op te zuigen. Hierdoor zitten ze minder lekker in hun velHet effect hiervan zie je terug in hun schoolprestaties en ontwikkeling. Deze cirkel kan volgens Aukje doorbroken worden wanneer kinderen een uitlaatklep geboden wordtIedereen moet soms even zijn stress kwijt en wil mee kunnen doen – zij het met sport, kunst of muziekLekker bewegen of iets met je handen maken, laat een kind zien dat het veel meer in zich heeft. Ieder kind – arm of rijk – verdient het om dit gevoel te ervaren en zich optimaal te ontwikkelen. 

Ondanks dat Aukje zich in haar werk vooral op de kinderen richt, verliest ze ook de ouders niet uit het oog: Ouders stellen zich kwetsbaar op wanneer ze hun zorgen bij mij op tafel leggen. Hulp vragen is moeilijk. Wanneer ze dit doen, dan is het oneerlijk ze als zielig te bestempelen en hen alles uithanden te nemen. Daarom probeer ik met ze mee te denkenze te betrekken bij het proces en ze in hun kracht te zetten. Uiteindelijk zijn zij verantwoordelijk voor hun kinderen en moeten zij ze naar de sportclub brengen!’ 

De impact van Jeugdfonds Sport Cultuur reikt verder dan het kind zelf, legt Aukje uit: Pasgeleden heb ik geregeld dat een leerling van ons kon gaan voetballen bij de voetbalvereniging in de buurtKort daarna belde zijn moeder mij blij op. Ze was gevraagd kantinedienst te draaien. Eindelijk had ze ook weer een reden om de deur uit te gaan. Haar sociale isolement werd doorbroken. Ze was hier zo dankbaar voor.’   

Aukje hoopt in de toekomst nog veel meer gezinnen te kunnen helpen. Daarom daagt ze iedereen in Nederland uit om over kinderarmoede te praten en meer bekendheid te geven aan organisaties zoals het Jeugdfonds Sport & Cultuur, Stichting Leergeld, Stichting Jarige Job en Nationaal Fonds Kinderhulp: We bereiken nog lang niet alle kinderen. Uiteindelijk moet elk kind en elke ouder van het bestaan van deze organisaties weten. Hulp vragen bij armoede moet net zo normaal worden als naar de huisarts gaan.’ Aukje gelooft dat de kracht van herhaling hierin essentieel is: ‘Kinderen moeten weten dat ze recht op deze hulp hebben Elke school moet vol hangen met posters van initiatieven die kinderen in armoede kunnen helpen, noem ze in kinderprogramma’s op televisie en besteedt er in elke schoolkrant aandacht aan!  

Leergeld_JFSC_header horizontal

Dit interview maakt onderdeel uit van de reeks verhalen in het kader van de VriendenLoterij Bingo.

Monique Maks is directeur van het Jeugdfonds Sport & Cultuur. Het fonds maakt het mogelijk dat jaarlijks zo’n 80.000 kinderen die opgroeien in armoede, ook lid kunnen worden van een sportclub en creatieve lessen kunnen volgen. “Kwetsbare kinderen verdienen het dat professionals en vrijwilligers zich met hart en ziel én kwaliteit voor hen inzetten.” 

Monique Maks, directeur Jeugdfonds Sport & CultuurSporten was en is voor Monique net zo vanzelfsprekend als tandenpoetsen. “Er wordt vaak gezegd dat sport een belangrijke bijzaak is, maar in mijn leven was sport vaak hoofdzaak,” vertelt Monique. Op haar vijfde ging ze op turnen en speelde ze intensief tennis – en dat doet ze nog steeds. “Ik ging op turnles omdat andere meisjes uit de buurt ook gingen. Ik mocht naar de bondsselectie en heb twee keer meegedaan aan de Nederlandse Kampioenschappen. Aan tennis en turnen was ik wel vijftien uur per week kwijt tijdens mijn middelbare school tijd. Maar ik wilde niets liever dus vond dat helemaal geen opgave. Dat is voor mij de essentie van mee kunnen doen aan sport en cultuur, dat je er zóveel plezier in hebt dat je het graag, of soms ook, niets liever doet. In het gezin werd ook veel muziek gemaakt, ook al was die drempel wel wat hoger, bekent Monique.Ik probeerde geregeld onder de blokfluitles uit te komen maar pianospelen vond ik wel leuk 

Sporten en muziekles zijn niet in alle gezinnen vanzelfsprekend

Ook Aniek en Morris, haar eigen kinderen, brengen veel vrije tijd met vrienden door op voetbal, hockey en tennis. Aniek speelt gitaar in de schoolband en is veel in de studio op school aan het jammen en chillen. Sporten en muziekles zijn niet in alle gezinnen vanzelfsprekend,” zegt Monique. “Dat weten we natuurlijk vanuit ons dagelijkse werk maar ook privé kom ik het tegen. Een jongetje in het voetbalteam van mijn zoontje kan meedoen dankzij ondersteuning. Wat me treft is dat hij heel verlegen oogt en fysiek een terneergeslagen houding heeft totdat hij op het veld staat. Dan zien we dat veranderen. Zijn koppie gaat dan omhoog en dan staat hij helemaal vrij te voetballen. Voetbal is wat hij het liefst doet en nu hij wordt zelfs gescout. Dat gun ik hem zo! 

Duurzaam helpen

Monique ging naar de ALO en studeerde vervolgens Bewegingswetenschappen. Na de studietijd startte ze als gymleerkracht op een middelbare school voor kwetsbare kinderen. Ook werkte ze voor Sportbureau Utrecht dat veel kortdurende projecten organiseerde voor deze doelgroep, onder andere in Kanaleneiland dat toen een Krachtwijk werd genoemd. “Dat was superleuk voor de kinderen maar niet duurzaam. Na afloop van het project waren de sportactiviteiten weer voorbij en de kinderen verdwenen uit het zicht. Bij het Jeugdfonds Sport & Cultuur helpen we kinderen structureel en door lid te worden van een sportclub of dansschool maken ze onderdeel uit van een sociaal netwerk. Dan wordt sport en cultuur een deel van henzelf, ze gaan de verbinding met anderen aan en gaan er ook serieuzer mee om. Hierdoor leren kinderen meer, ze ervaren zélf dat elke week sporten of muziek maken waardevol is en zo dragen sport en cultuur echt wezenlijk bij aan hun persoonlijke ontwikkeling en toekomst. 

Betekenis geven

Bij NOC*NSF werkte Monique jarenlang als programmamanager Topsport en daarna bij consultancybureau BMC op het gebied van sport, cultuur, onderwijs. “Het was een fantastische tijd maar toen ik de vacature bij het Jeugdfonds Sport & Cultuur zag, twijfelde ik geen moment. Van betekenis kunnen zijn voor kinderen die het keihard nodig hebben leek me heel mooi. Wat me aansprak, en nog steeds zo aanspreekt in deze functie: het is terug naar de basis, mogelijk maken dat kinderen mee kunnen doen, ongeacht de financiële situatie thuis. Daar begint het allemaal mee. Ik vind het onvoorstelbaar dat er in een rijk land als Nederland kinderen en jongeren zijn die niet kunnen sporten of hun creativiteit kunnen ontwikkelen omdat er thuis geldzorgen zijn. Doordat we ons met alle collegas en samenwerkingspartners elke dag inzetten voor het fonds kunnen we écht verschil maken in het leven van een kind. 

Gewoon mee kunnen doen

Inmiddels helpt het Jeugdfonds meer dan 80.000 kinderen per jaar en dat aantal groeit gestaag. Monique: “De organisatie ontwikkelt zich voortdurend maar het hart, de kern, blijft hetzelfde en voor dat hart doe ik het. Door te professionaliseren kunnen wij ons doel beter bereiken: méér kinderen die opgroeien in armoede kansen geven. Die kansen krijgen ze via deelname aan sport en cultuur. Ik weet als geen ander dat je je op de sportclub sociaal, fysiek en mentaal optimaal ontwikkelt en er skills opdoet waar je de rest van leven iets aan hebt. Dat geldt ook voor muziek – of dansles. De wereld van het kind wordt letterlijk groter. En dankzij de boodschap dat ze gewoon mee kunnen doen, wordt het vanzelfsprekender dat ze ook als volwassene blijven meedoen. 

Van Tietjerksteradeel tot Schin op Geul

Hoe ziet Monique de toekomst van het fonds? Ze lacht: “Dat we niet meer nodig zijn. Ik weet het, dat is waarschijnlijk een utopie, maar het zou mooi zijn als we overbodig worden. Ik hoop dat we, tot het zover is, alle kinderen die hulp nodig hebben, kunnen bereiken. Ook in breder verband. Als je kijkt naar een week uit het leven van een kind, zijn er veel meer zaken die cruciaal zijn naast sport en cultuur. Met je klasgenoten mee op schoolreis, een laptop om je huiswerk te maken en online les te volgen zoals in de coronaperiode hard nodig was, je verjaardag of Sinterklaas vieren. Daarom hebben we in 2017 het initiatief genomen om met Leergeld, Jarige Job en Kinderhulp Sam& op te richten: Sam& voor alle kinderen. Als je meer partijen aan je weet te verbinden, echt samen werkt, we in de samenleving omkijken naar de kinderen, dan worden alle kinderen gezien en geholpen van Tietjerksteradeel tot Schin op Geul. Daar geloof ik heilig in.  

Het Jeugdfonds Sport & Cultuur Utrecht en het Jeugdfonds Sport & Cultuur Noord-Holland werken nauw samen. Jolanda Kamphuis en Arianne Niks zijn coördinator van het Utrechtse fonds en daarnaast is Arianne samen met Lennert Schuttenbeld coördinator van het fonds in Noord-Holland. Hoe werkt het eigenlijk bij zo’n lokaal fonds? Jolanda, Arianne en Lennert geven een kijkje achter de schermen.

Coördinatoren Jolanda, Arianne en Lennert

Het Jeugdfonds Cultuur Utrecht en het Jeugdfonds Sport Utrecht zijn onlangs gefuseerd en gaan samen verder als Jeugdfonds Sport & Cultuur Utrecht. Een stuk gemakkelijker voor de gezinnen en de aanvragers! Zo’n fusie heeft best wat voeten in de aarde, vinden coördinatoren Arianne en Jolanda. Er moet administratief het een en ander opgetuigd worden, twee besturen moeten aan elkaar wennen en gemeenten en partners moeten goed geïnformeerd worden. “Het was geen papieren fusie,” vertelt Arianne. “Mensen moeten echt wennen aan een andere manier van werken.” “Ik ook,” lacht Jolanda. “Ik was gewend de dingen op mijn eigen manier te doen. Er is nu veel meer overleg. We hebben de taken op een rijtje gezet en een taakverdeling gemaakt. Bijvoorbeeld de financiële verantwoording naar de gemeenten, de contacten met partners en intermediairs. Daarnaast zijn we bezig met een jaarplan. In Utrecht deden we de aanvragen altijd zelf, dat hebben we nu uitbesteed. Communicatie doen we samen, dat scheelt een stuk.”

Cultuurverschillen

Noord-Holland en Utrecht zijn verschillende provincies met ieder een eigen cultuur. Zijn er ook verschillen in aanpak? “Het gaat meer om verschillen in gemeenten onderling,” zegt Arianne. “Er is een groot verschil tussen een grote stad als Utrecht of een kleine gemeente in de kop van Noord-Holland. Jolanda: “Onder een gemeente als Heuvelrug vallen veel kleinere dorpen. Dan is het best lastig daar je aandacht op te richten. Er is ook een verschil tussen sport en cultuur. In de sportwereld is het veel strakker geregeld. Er is een duidelijke infrastructuur die je niet hebt in de cultuurwereld.”
Contact houden met zoveel verschillende gemeenten is de grootste uitdaging van een provinciaal fonds. Lennert: “Je bent lokaal minder zichtbaar en hebt minder inzicht in wat er speelt. Daarom hebben we lokale aanspraakpunten in iedere gemeente. Dat kan bij een sportserviceorganisatie of een welzijnsorganisatie zijn. Zij organiseren veel activiteiten voor kinderen en kunnen ons daarin gemakkelijk meenemen en promoten.”

De coronacrisis trekt diepe sporen

De coronacrisis heeft diepe sporen getrokken, ook als het gaat om deelname van kinderen aan sport en cultuur. Hoe ga je daar als fonds mee om? Arianne: “Het was erg moeilijk. Alles lag stil. De kinderen konden niets meer doen buitenshuis en er kwamen ook geen aanvragen meer. We hebben er daarom voor gekozen om het doen van aanvragen tijdelijk stil te leggen. We zijn nu langzaamaan aan het opstarten. Maar wel met maatwerk. Checken of er echt aanbod was als er een aanvraag binnenkwam. Wij hebben goed moeten nadenken hoe we ermee omgingen, veel overlegd met de besturen. Er hangen ook bezuinigingen bij de gemeenten in de lucht. Daar merken we nu nog niets van maar we denken wel dat dat een grote rol gaat spelen. Juist in deze periode hebben we veel aan fondsenwerving gedaan, inspelend op de landelijke campagne ‘Mag ik straks ook weer meedoen?’. We merken dat bedrijven de deur meer openzetten voor goede doelen.”

“En Tas voor Thuis was ook een groot succes,” vult Jolanda aan. “Kinderen kregen een goodiebag gevuld met allerlei spelletjes en knutseldingen die ze thuis konden doen. Een bijzondere samenwerking tussen sportieve en culturele organisaties in Utrecht. En het mooie was dat we zagen dat het landelijk ook navolging kreeg.”

Weer van start

Het coronaleed is nog niet geleden maar de scholen en de activiteiten buitenshuis gaan grotendeels weer van start. Waarschijnlijk zal het aantal aanvragen flink toenemen omdat gezinnen vanwege de coronacrisis meer geldzorgen hebben. Hoe bereiden de coördinatoren zich daarop voor? “Waar we erg blij mee zijn is de ‘herhaalknop’ in het aanvraagsysteem,” zegt Arianne. “Daarmee kunnen onze intermediairs heel gemakkelijk een herhaalaanvraag indienen. We hebben er speciaal een actie van gemaakt om ze daarop te wijzen en dat werkt. Verder zijn het werven van extra middelen en in gesprek blijven met gemeenten heel belangrijk.”

Ook de samenwerking via Sam& krijgt meer vorm. Jolanda: “We hopen echt dat ouders en intermediairs ons gemakkelijk weten te vinden dankzij de gezamenlijke portal. Een aantal gemeenten zijn er nu mee gestart. Het kunnen meedoen van kinderen staat altijd voorop.”

Onderwijstoolkit

Een van de middelen die wordt ingezet om het onderwijs te bereiken is de Onderwijstoolkit. Lennert: “De toolkit maakt het de leerkrachten gemakkelijker armoede te signaleren maar biedt ze ook middelen om het fonds bekend te maken, zoals kant en klare teksten voor de nieuwsbrief en social media. En er zit een doorverwijskaart in waarmee de leerkracht gemakkelijk kan doorverwijzen naar een van de lokale aanspreekpunten. De werkdruk in het onderwijs is groot, we hopen dat de toolkit de samenwerking met het fonds wat makkelijker maakt.” Arianne: “De lokale aanspreekpunten zijn er erg enthousiast over. Er is altijd iemand naar wie de school gemakkelijk kan doorverwijzen.”

Noord-Holland

Utrecht

Cultuur@CruyffCourts laat kinderen in kansarmere wijken dichtbij huis, op de Cruyff Courts, kennismaken met dans, hiphop, DJ’en en andere gave activiteiten. Zo’n 20 gemeenten doen mee, maar door de coronacrisis zijn veel geplande projecten naar de herfst doorgeschoven. In Haarlem besloten ze het anders te doen. Dankzij een intensieve samenwerking met organisaties in de wijk, is er een mooi programma samengesteld voor kinderen die niet op vakantie gaan. Grace Dias, onze coördinator in Haarlem, vertelt.

Grace Dias - Cultuur@CruyffCourts“Vorig jaar hebben we Cultuur@CruyffCourts ook georganiseerd, met veel succes,” vertelt Grace, “Het grote verschil met dit jaar is corona. Kinderen gaan normaalgespoken tijdens de zomervakantie weg, onder andere naar het thuisland, maar dat kan dit jaar niet. Die kinderen zitten al te lang thuis, daarom is actief buiten bewegen nu belangrijk. We besloten het in de zomervakantie te doen en niet zoals het plan was, in het najaar. We wilden iets positiefs doen in een tijd die voor veel kinderen moeilijk is.”

Cultuur@CruyffCourts bleek niet de enige activiteit die voor de kinderen georganiseerd werd. “We nemen organisaties op het gebied van welzijn en sport in de wijk altijd mee in onze plannen. Toen bleek van alles van start te gaan vanuit dezelfde motivatie: kinderen iets positiefs bieden,” lacht Grace. “Er stond van alles op stapel. Wat is er dan logischer dan de krachten te bundelen? Cultuur@CruyffCourts is vervolgens ook opgenomen in het brede programma van in de wijk samenwerkende organisaties en aanbieders. Dankzij die samenwerking kunnen we meer kinderen bereiken.”

Goede docenten

Grace: “Het is goed als Cultuur@CruyfCourts vaker georganiseerd wordt. Dat komt de bekendheid van het programma ten goede en geeft kinderen de kans te ontdekken wat ze leuk vinden. Hun wereldje wordt wat groter. Daarom organiseren we het in het voorjaar van 2021 weer. We hebben ook geleerd dat het heel belangrijk is de juiste producent en docenten te vinden, mensen die goed met kinderen om kunnen gaan en plezier uitstralen. En er ook voor zorgen dat kinderen die verlegen aan de kant staan te kijken, mee gaan doen.”

Energie

Begin deze week ging Cultuur@CruyffCourts in het Haarlems Parkwijk van start. Gedurende vier weken kunnen kinderen allerlei workshop-reeksen volgen. Grace: “We zorgen voor muziek en ook het geluid van de bucket drums veroorzaakt reuring. Alles is buiten, dus dat trekt best aandacht, dat is zo leuk! Kinderen kunnen zes workshops volgen met urban culture activiteiten: breakdance, bucket drum, hiphop, freestyle voetbal en -basketbal, maar ook verhalentheater. De eerste week proberen kinderen uit wat ze leuk vinden, daarna zie je dat ze hun plek vinden. Vorig jaar zijn veel kinderen doorgestroomd naar reguliere lessen, dat is wat we willen natuurlijk. Het geeft de kinderen veel energie, maar ons ook.”

Op 14 augustus is de laatste workshop. Dan wordt Cultuur@CruyffCourts afgesloten in aanwezigheid van de wethouder Cultuur, Marie-Thérèse Meijs, en is er een spetterend optreden van freestyle voetbalheld en ambassadeur Nasser El Jackson!

Programma Cultuur@CruyffCourts Haarlem

Facebook-event Cultuur@CruyffCourts Haarlem

Website Cultuur@CruyffCourts

Inmiddels is het bijna vanzelfsprekend dat Jeugdfonds Sport & Cultuur Gelderland jaarlijks duizenden kinderen helpt. Maar tien jaar geleden begon Petra Schipper van Gelderse Sport Federatie vanaf nul. Bijna niemand kende het fonds en de werkwijze. “Het was hard werken en leuren, maar dat had ik er graag voor over. Ik wilde zoveel mogelijk kinderen helpen.”

De provincie Gelderland nam in 2010 het initiatief om iets te gaan doen voor gezinnen met een smalle beurs. Jeugdfonds Sport was toen landelijk net in opkomst en wilde graag provinciale fondsen starten. Al snel werd besloten daarbij aan te sluiten. De Gelderse Sport Federatie kreeg de opdracht dat op te zetten. “We zijn begonnen met een presentatie voor potentiële bestuursleden,” vertelt Petra Schipper, “en gelukkig zeiden daar een aantal mensen dat ze wel het Stichtingsbestuur wilden vormen. Onder andere Ap Lammers, die als eerste penningmeester veel werk verzet heeft.”

Zendingswerk

Daarna begon het zendingswerk richting gemeenten. Want de provincie subsidieert (nog altijd) de organisatie, maar het geld voor de kinderen moest van gemeenten en sponsoren komen. “Onze eerste uitdaging was de juiste mensen te vinden. Wij hadden contacten met beleidsmedewerkers sport, maar daar viel dit helemaal niet onder. Gelukkig waren er al snel twee gemeenten die aanhaakten, Renkum en Montferland.” Ze herinnert zich de ondertekening in Renkum. “Puur toevallig was de voorzitter van het landelijk fonds, Johan Wakkie, in het gemeentehuis voor iets totaal anders. Hij kwam binnenlopen en heeft de gemeente nog eens extra bedankt dat zij als koploper aansloten. Dat soort dingen is belangrijk voor het draagvlak. Dan wordt het ook makkelijker om met nieuwe gemeenten te praten. Na een jaar kwam de doorbraak en sloten in een keer veel gemeenten aan.”

Werkwijze op basis van vertrouwen

Voor gemeenten was de werkwijze van het JFSC wennen. Petra: “Veel ambtenaren waren gewend te werken vanuit regelgeving en controle. En toen kwamen wij met een systeem dat gebaseerd is op vertrouwen. Waarin we zeggen: intermediairs zijn professionals die de gezinnen kennen, zij kunnen inschatten of de mensen de steun echt nodig hebben. En wat is nou het ergste wat er kan gebeuren? Dat een kind sport! Want het geld gaat rechtstreeks naar de verenigingen, dus het kan niet misbruikt worden. En we controleren wel of de kinderen blijven sporten. De methodiek van JFSC is fantastisch, het houdt het laagdrempelig voor mensen die het toch al moeilijk hebben.”

Uit isolement halen

“Belangrijk is ook dat we kijken naar wat mensen te besteden hebben, niet alleen naar het bruto-inkomen,” benadrukt Petra. “Want je kunt twee inkomens hebben, maar door schulden of dubbele woonlasten alsnog nergens geld voor hebben. En daar kunnen de kinderen in zo’n huishouden helemaal niets aan doen! Daar gaat het om: kinderen moeten gewoon kunnen meedoen. Als je geen geld hebt kom je in een isolement, je kunt nergens naartoe. Dat hebben we net met corona allemaal twee maanden meegemaakt. Moet je je voorstellen dat dat jaren duurt! Dat is verschrikkelijk voor kinderen, en wij kunnen ze helpen.”

Ouders: vraag het aan!

Met de bijdrage wil het JFSC ouders ook een steuntje in de rug geven. “Het is klein en eenvoudig, maar het zorgt ervoor dat ouders zich in ieder geval over de sport of cultuur van hun kind geen zorgen hoeven maken. Dat geeft een beetje rust. Dus tegen ouders zou ik willen zeggen: vraag het aan! Behalve de intermediair en de penningmeester van de club is er ook niemand die ervan weet, dus de kinderen kunnen onbezorgd aan sport en cultuur doen. Laat ons je helpen!”

Steun blijft nodig

In de eerste jaren was het beschikbare budget voor kinderen vaak snel op. “Gemeenten begonnen met vijf of tien plekken. Het mooie is dat zodra ze zien dat het echt werkt, ze tussentijds opschalen, soms zelfs binnen het lopende jaar. Daardoor konden we al snel meer kinderen gaan helpen. Het is supercool om te zien dat we met niets begonnen en dat er nu een serieus fonds staat, waar inmiddels 30 gemeenten bij zijn aangesloten. Dat is ook dubbel, want het liefst wil je dat JFSC niet meer nodig is. Maar de realiteit is dat we juist meer dan ooit nodig zijn, en dan wil je zoveel mogelijk kinderen bereiken. Ik hoop dan ook dat steeds meer mensen het net zo gewoon gaan vinden om te doneren aan JFSC als aan bijvoorbeeld Kika. En dat meer gemeenten zich aansluiten. Er zijn nog altijd gezinnen die tussen regelingen in vallen, JFSC is dan een vangnet. Een kind dat aan sport of cultuur doet, hoort ergens bij en leert samenwerken. Zo help je ze een belangrijke stap vooruit!”

 

In vrijwel iedere stad en regio is er wel een Jeugdfonds Sport & Cultuur. Handig, want zo is er altijd wel een fonds in de buurt. De fondsen worden bestuurd door een coördinator en bestuursleden die de lokale situatie goed kennen. Maar wat doet zo’n coördinator eigenlijk? We vroegen het Martina Haak-Snoek, ruim vier jaar coördinator van het fonds in Groningen. 

“Grappig dat je belt,” zegt Martina. “Wij hebben onlangs een enquête onder intermediairs gehouden en een aandachtspunt was meer zichtbaarheid van het fonds en de coördinator. Dat komt dus mooi uit! Toen ik begon waren het Jeugdsportfonds en Jeugdcultuurfonds nog twee aparte fondsen maar ik was voor beide coördinator. Dat vond ik mooi want ik heb met beide wat. Ik heb een sportopleiding gedaan, was ook vakleerkracht gym, maar heb ook iets met cultuur, vooral muziek maken. En de doelgroep vind ik boeiend. De vacature voor coördinator was mij dus op het lijf geschreven.”

Afstand letterlijk en figuurlijk groot

Groningen is een grote provincie waarin alle 12 gemeenten bij het fonds aangesloten zijn. “Een pittige klus,” lacht Martina. “We krijgen jaarlijks zo’n 3500 aanvragen, bijna de helft uit de stad Groningen, de rest uit de overige  gemeenten in de provincie. Dat is soms lastig. Ik wil graag dat alle kinderen mee kunnen doen. In de meeste dorpen zit wel een voetbal- en gymnastiekvereniging maar geen andere sporten en zeker geen culturele activiteiten zoals ballet of muziekles. De afstand is voor de ouders letterlijk en figuurlijk te groot. En voor mij is het best een uitdaging de vinger aan de pols te houden in zo’n groot gebied.”

Oren en ogen in de wijk

De ruim 200 intermediairs vormen de brug tussen het fonds en de ouders. “Zonder intermediairs lukt niets. Zij zijn mijn oren en ogen in de wijk. Daarom investeer ik veel in de relatie met de intermediairs. Het is een van mijn belangrijkste taken om ze te helpen. Ik reageer zo snel mogelijk, denk met ze mee om het mogelijk te maken dat kinderen mee kunnen doen en probeer het ze zo gemakkelijk mogelijk te maken. We werken met intermediairs vanuit het onderwijs, de jeugdzorg, sociaal werk, sport- en cultuurcoaches, schuldhulpverleners, Stichting Leergeld, Humanitas en andere professionals. Maar er is altijd behoefte aan meer intermediairs omdat mensen van baan wisselen en er zijn de laatste jaren ook veel fusies in gemeenten waardoor het werkveld verandert.”Alle kinderen gaan naar school, dat is dus dé plek om intermediairs te hebben zitten. “Lastig,” zegt Martina. “Idealiter wil je op iedere school een intermediair maar de praktijk wijst uit dat veel leerkrachten vinden dat ze al overbelast zijn. In de stad Groningen is het heel goed geregeld. Daar is op scholen in armere wijken een brugfunctionaris aangesteld die de link legt met de ouders. En ook in kleine platteland gemeentes zie je dat de directeur van de school vaak intermediair is.”

Het leukste van mijn werk

Verschil maken voor een kind, daar doet Martina het voor. “Het leukste van mijn baan is horen dat een kind geholpen is. Dat het kind iets kan gaan doen wat het graag wil, heeft allerlei mooie bijwerkingen op de rest van het gezin en op school. Het is vaak een steen in de vijver. Bijvoorbeeld een meisje dat gepest wordt maar dankzij theaterles meer zelfvertrouwen krijgt. Of een kind met ADHD die zich in de sport uitleeft en thuis en op school rustiger is. Een vader die teamleider wordt op de voetbalclub omdat hij via zijn zoontje betrokken is geraakt. Eén van de dingen die me onlangs geraakt heeft is een meisje in een moeilijke thuissituatie die via ons naar zangles kan. Ze heeft nu een plek om even te ontsnappen en waar ze haar emoties kwijt kan. Dat is geweldig.”

Het moeilijkste…

Martina denkt na, wat vindt ze het moeilijkste? En dan: “Het vergroten van de bekendheid van ons fonds. Nog lang niet iedereen kent ons.  Het is dus zaak om op allerlei manieren en plekken in beeld te blijven. De boodschap één keer doorgeven is niet voldoende. Alweer zijn de intermediairs daar belangrijk in. Als zij goede ervaringen met ons fonds hebben, zijn zij onze ambassadeurs. We hebben sinds enkele jaren een mooie samenwerking met FC Groningen die in de hele provincie komt en ons meenemen in hun uitingen. Ook de bezuinigingen in de gemeenten zijn zorgelijk. Daardoor is de noodzaak groter om eigen potjes te vullen om alle kinderen te kunnen blijven helpen. Er stonden een paar grote acties klaar maar vanwege corona gaan die niet door.”

Samenwerking met allerlei organisaties, communicatie, PR, financiën, een coördinator moet van alle markten thuis zijn. “Dat maakt de baan juist zo leuk,” zegt Martina. “Het is betekenisvol. Er zitten zoveel aspecten aan. Maar het mooiste is natuurlijk dat je een lastige situatie voor een kind, en dus voor een gezin, lichter maakt.”

Brian Hirman is sinds kort lid van de Raad van Toezicht van het Jeugdfonds Sport & Cultuur. Brian hoefde er niet lang over na te denken zich te verbinden aan het Jeugdfonds Sport & Cultuur. “Ik ga op niemands stoel zitten maar als het nodig is, ben ik bereikbaar en als me iets opvalt, zal ik het zeker melden.” 

Brian Hirman, Raad van Toezicht Jeugdfonds Sport & CultuurAfgelopen jaar is het bedrijf waar ik managing partner ben, verkocht aan een grote internationale organisatie én ben ik 50 jaar geworden,” zegt Brian. “Voor mij een mooi moment in mijn leven om te onderzoeken of ik een commissariaat of een Raad van Toezicht functie zou willen. Een dergelijke functie is niet niks, aan een commissariaat of toezicht functie kleven grote verantwoordelijkheden en aansprakelijkheden. Ik wilde goed weten waar ik in zou stappen. Daarom heb ik vorig jaar op Nyenrode met veel plezier een speciale Commissaris-opleiding gedaan en ben vervolgens gaan zoeken welke type organisaties bij mij zouden passen. De vacature in de Raad van Toezicht bij het Jeugdfonds Sport & Cultuur kwam toevallig op mijn pad. Een functie die me op het lijf geschreven is.” 

Bekend met de doelgroep 

Die gedegen voorbereiding en zorgvuldigheid tekent Brian Hirman. Hij had meerdere opties, maar koos bewust voor twee organisaties om zich voor in te zetten als commissaris of toezichthouder: een publiek private organisatie én het Jeugdfonds 

Sport & Cultuur. “Ik koos voor het Jeugdfonds Sport & Cultuur omdat ik heel veel met sport heb en ook weet hoeveel effect het kan hebben op kinderen uit de doelgroep. Ik heb ook veel met cultuur hoor, vooral muziek zit in mijn hart, ik heb als student lang in een band gezeten, we stonden destijds zelfs in het voorprogramma van Lois Lane,” lacht hij.  

“Ook de problematiek is bekend voor me. Vroeger was ik vrijwilliger bij Purvak in Purmerend. Bij Purvak doen kinderen die niet op vakantie kunnen tijdens de vakantieperiode allerlei sportactiviteiten. Daar kwam ik in aanraking met kinderen waar thuis weinig geld was, en zag ik hoeveel plezier kinderen aan het sporten beleefden. Ook later als basketbalspeler en trainer maakte ik de problematiek van dichtbij mee. Nog een trigger was dat mijn dochter Sportkunde aan de Hogeschool van Amsterdam studeert en stage deed bij een organisatie die gratis sport – en beweegactiviteiten aan kinderen in probleemwijken aanbiedt. Binnen ons gezin draait het dus heel erg om sport maar er is ook het bewustzijn dat er veel gezinnen zijn waar de kinderen vanwege geldgebrek niet kunnen sporten of iets aan kunst en cultuur kunnen doen.” 

Ik wil echt mijn steentje bijdragen

Brian is een betrokken bestuurder zonder de organisatie al te dicht op de huid te zitten. “Wat me opvalt is dat er bij het Jeugdfonds mensen werken met veel hart voor de zaak en die weten waar ze het over hebben. Het enthousiasme is groot. Er kunnen zeker nog wat slagen gemaakt worden als het gaat om de merkbekendheid van het fonds. Wie zijn we nou eigenlijk en hoe kunnen mensen ons het gemakkelijkst vinden? Weet je, ik doe dit niet om een paar keer per jaar te vergaderen. Ik wil echt mijn steentje bijdragen. Tegelijkertijd moet je als bestuurder ook een zekere afstand houden. Ik ga op niemands stoel zitten maar als het nodig is, ben ik bereikbaar en als me iets opvalt, zal ik het zeker melden. Ik vind het vooral ook heel leuk om me voor zo’n mooie organisatie in te mogen zetten.” 

Lees ook: Kees Jansma: ‘In de kantine is iedereen gelijk’

Meer over de Raad van Toezicht

Kees Jansma, sportjournalist en voormalig perschef van Oranje, is voorzitter van de Raad van Toezicht van het Jeugdfonds Sport & Cultuur.

De tranen van mijn vader

Kees Jansma: “Mijn vader nam me op 1 februari 1956 mee naar de wedstrijd West-Duitsland – Nederland in Düsseldorf. Ik was acht jaar oud en kan me alles nog óngelooflijk goed herinneren. De treinreis, de kou, de doelpunten, de tranen van mijn vader… We vertrokken uit Amsterdam, en overal lag sneeuw. Het was echt een wereldreis, mijn moeder stond ons huilend op het perron uit te zwaaien. Zo ver weg gaan, dat was nogal wat.

“Mijn vader moest ook huilen, maar pas na de overwinning van Oranje. Ook dat beeld staat op mijn netvlies gebrand. Toen dacht ik dat het vanwege de zege was, daarna begreep ik dat heel Nederland had gehuild omdat het zoveel meer betekende met de Tweede Wereldoorlog nog vers in het geheugen.

“Het bezoeken van sportwedstrijden was heel normaal bij ons thuis, we gingen overal naar toe. Mijn vader was als kind een fanatiek voetballer, maar toen hij veertien was overleed mijn opa en moest hij werken om het gezin te onderhouden. De passie voor sport raakte hij echter nooit kwijt. Mijn moeder was wat artistieker aangelegd, en dus ging het bij ons thuis over twee dingen: theater en sport.”

Naar de Jansma’s

“Voetbal heb ik het meest fanatiek gedaan. Van jongs af aan, in Amsterdam-Noord. Daarna zijn we verhuisd naar Voorburg in Den Haag. Mijn zusje handbalde, mijn broer voetbalde. Dat deden we allemaal bij Tonegido. Daarnaast hadden we pianoles. We waren, op z’n zachtst gezegd, nogal competitief ingesteld en hadden dus altijd ‘ruzie’. Maar de weekenden waren hartstikke gezellig, als het kon gingen overal samen naar toe. Nooit heb ik het idee gehad dat ik profvoetballer zou kunnen worden. Ik had er simpelweg het talent niet voor.

“Het allerleukst was dat mijn vader als voorzitter van onze voetbalvereniging op zondagavond zo’n zestig tot tachtig man thuis ontving. Om soep te eten, muziek te maken. Dat waren beroemde avonden in Voorburg. Na de wedstrijd ging je niet naar de kantine, maar naar de Jansma’s.

“Toen mijn vader tachtig werd, gaf hij ons een boek, door hem zelf geschreven: ‘Jan Jansma, 80 jaar, mijn leven’. Daarin schreef hij dat hij met mijn moeder ‘s avonds ging overleggen als wij kinderen weer eens de vraag gesteld hadden of we op voetbal mochten, of op handbal, of op muziekles. Hoe gaan we dit organiseren? Wij dachten dat dat allemaal maar kon. En het kon ook. Mijn vader ging gewoon meer werken, mijn moeder deed thuis naaiwerk. Dat hebben wij ons als kind nooit gerealiseerd.”

Obsessieve ambitie

“Ik had maar één ambitie en dat was sportverslaggever worden. Ik was gefascineerd door de momenten waarop het doodstil was in huis, omdat we naar de stemmen van mannen als Jan Cottaar of Dick van Rijn luisterden. Dan zaten we op de grond, in een brede kring rond de radio. Eerst moesten we van mijn ouders naar Wim Kan luisteren, ook al begrepen wij als kinderen zijn grappen niet helemaal. Maar daarna kwamen de wedstrijdverslagen uit het buitenland. Ik vond het fantastisch dat iemand zei: ‘En dan gaan we nu over naar Dick van Rijn in Boedapest.’ En ja, dat dan die stem daadwerkelijk uit dat verre Boedapest kwam… Dat wilde ik ook! Want die stem kreeg die anders zo drukke huiskamer van ons muisstil.

“Mijn ambitie om sportjournalist te worden, was obsessief. Dat klinkt misschien overdreven, maar het kwam er echt bij in de buurt. Ik wilde gewoon een bekende, goede, serieuze sportverslaggever worden. Daar moest alles voor wijken, ook in mijn privéleven. Het mocht niet mislukken, ik móest slagen. Door die passie voor sport had ik ook helemaal geen interesse in school. Mijn broer en zus deden het daar goed, ik niet. Dus ontstond er een gevoel van: maar ik kan ook wat hoor.

“Later ben ik het gaan zien als geldingsdrang, dat had ik toen niet helemaal door. En daar word je niet altijd even gelukkig van, van zo’n instelling. Als ik moest kiezen tussen een avond thuis of naar Ajax, dan ging ik naar Ajax. Want stel je voor dat ik iets zou missen. Het was natuurlijk niet alleen geldingsdrang en ambitie, het had wel degelijk ook te maken met de liefde voor de sport. Ik werk al vijftig jaar in de sportwereld, die ik op momenten heus heb vervloekt, maar dat kan je niet volhouden als je er niet van houdt.”

In de kantine hangen

“Sporten is belangrijk, dat moet iedereen kunnen doen. Zeker in deze tijd, waarin tegenstellingen meer op scherp lijken te staan dan vroeger. Sport heeft me doen beseffen dat de kantine, het clubhuis, de sportzaal, hoe je het ook wil noemen, een bindmiddel van jewelste is. Want iedereen is gelijk in de kantine. Het maakt niet uit waar je vandaan komt, je kletst met z’n allen over alles. Dat heb ik door mijn opvoeding zo geleerd en ervaren. En nog steeds ben ik lid van twee voetbalverenigingen, in Alphen aan de Rijn en in Doorn.

“Mijn moeder, die niet zo van sport hield, ontdekte hoe sport stond voor samen dingen doen, hoe het van belang was voor het gezinsleven. Daarom zei ze: kom op zondagavond maar naar ons huis toe, in plaats van in de kantine te blijven hangen.

“Eigenlijk doe ik met mijn eigen kinderen hetzelfde als dat mijn ouders met mij deden. Ik neem ze al jaren mee naar allerlei wedstrijden, over de hele wereld. Zo gaan we altijd met het hele gezin naar de Olympische Spelen. En dan kopen we kaarten voor allerlei wedstrijden. Tijdens de Spelen van Londen geleden zat ik in de vroege ochtend met mijn kinderen op de tribune voor de waterpolo kwartfinale Hongarije-Rusland. Ik keek naar ze en zag rode konen op hun wangen van de opwinding; ze waren zeven en negen! Dus ja, die hebben dezelfde bacil.”

Lees ook: Brian Hirman: ‘Op het lijf geschreven’

Meer over de Raad van Toezicht

Wist je dat?

gemeenten zijn aangesloten bij het Jeugdfonds Sport & Cultuur.

kinderen groeit op in armoede.

kinderen en jongeren kregen in 2020 de kans om te sporten.

kinderen en jongeren kregen in 2020 de kans om te dansen, muziek te maken of schilderen.